-itis


-itis 1.0

(gezondheid, geneeskunde en zorg)

woorddeel dat in afleidingen een aandoening, meestal een ontsteking, aanduidt van het lichaamsdeel of orgaan dat in het grondwoord wordt genoemd
Dit suffix vormt zelfstandige naamwoorden, met als grondwoord meestal een Latijns of Grieks woord. Uitzondering is bijvoorbeeld wiiitis, dat door een arts is verzonnen als benaming voor RSI-klachten die het gevolg zijn van te veel met een Wii gamen. Vergelijkbaar daarmee is darteritis.
Zie ook : suffix

Woordfamilie


Als deel van een afleiding


-itis 2.0

(schertsend; neologisme)

woorddeel dat in afleidingen een ongewenste eigenschap of toestand aanduidt als gevolg van een angst voor, overdaad aan, of overmatige neiging tot wat in het grondwoord wordt genoemd
Dit suffix is vrij productief: het wordt geregeld gebruikt om nieuwe woorden (neologismen) te vormen. Deze hebben als grondwoord vaak een (Nederlands) zelfstandig naamwoord (betonitis) of werkwoord (vergaderitis). Maar het grondwoord kan ook een bijvoeglijk naamwoord (interessanteritis), een bijwoord (binnenitis) of een eigennaam (enronitis) zijn. Soms is niet duidelijk of het grondwoord een (deel van een) werkwoord is of een zelfstandig naamwoord (regelitis; controlitis). Soms wordt het Nederlandse grondwoord verlatiniseerd om het woord nog meer te laten lijken op de klassieke termen voor echte ontstekingsziektes (scandalitis).

Woordfamilie


Als deel van een afleiding