apport 1.0
(dieren; (vooral) gesproken taal)
Algemene voorbeelden
Slechts op open velden wordt er af en toe een schot gelost. Pas na enkele uren, er zijn dan wel tevergeefs zes schoten gelost, wordt voor het eerst geoogst. Een duif valt na het schot op een grasveld. Daisy wordt geïnstrueerd het dier op te halen. De jager commandeert de hond:, "Volg, vooruit, nee, dat is niet vooruit, Daisy apport, goed, vooruit, apport, goed zo, hartstikke braaf." Daisy wandelt terug met de duif in de bek.
Ik zap opnieuw en leg de afstandsbediening op de salontafel. De hond van de visite neemt mijn zapper in de bek en brengt hem naar het vrouwtje in de andere kamer. In beeld een moeilijk over een IJsselmeerdijk bewegende rug die ik herken, het is Geert Mak. Ik roep,"Apport!", maar het beest reageert niet. "Ik wil mijn afstandsbediening terug!" roep ik. "Geert Mak is op tv! Help!'' Terwijl mijn geliefde gezin probeert mijn zapper uit het hondengebit los te krijgen hoor ik Mak.
Cavia, hond en kind waren een succes. De man stortte zich op Anne en de hond; de hond leerde apport en zit en lig.
'Mensen zijn de polarisatie moe', staat er verder op de voorpagina. Wie heeft dat vastgesteld? Och, het is maar Dick Pels. Die Pels, hij is zo'n schat, apport Pels, en ik doe alsof ik de stok weggooi, kom hier Pels, en ik knuffel hem stevig. Toch is het alsof hij weet waarover hij praat.