bussel


bussel 1.0

((vooral) in België)

bos van takken, stro enz.

Semagram


Een bussel…

is een hoeveelheid

      Hoofdsemagram: bos


      Algemene voorbeelden


      Wie wil bouwen moet naar Loiyangallani, zeven acht kilometer verderop, verdroogde palmrietbladeren snijden. Het zijn de vrouwen die de hutten bouwen. Ze dragen het riet in grote bussels op hun hoofd. Zeven acht kilometer terug. Blootsvoets.

      Calvados, Elvis Peeters,

      Als een Nimrod trok hij over de velden en door de bossen. Altijd met een dubbelloops over de schouder en een bussel strikken aan zijn broekriem.

      Het overspelige gras, Louis Ferron,

      Combinatiemogelijkheden


      als subject bij een werkwoord


      • uiteenvallen

      Hij gooide met korte, nijdige zwaaien de reuzelende graangarven naar de geheven riek van de knecht of de meid die ze [...] weer verder wierp naar de man die de schoven opstapelde in een hoek van de schuur. Als een bussel toevallig uiteenviel of als er iemand de worp miste dan vloekte de meesterknecht.

      De lange geboorte, Lut Ureel,

      in voorzetselgroep


      • iets in bussels binden

      Als het graan te plat lag, van de regen of van de wind dan diende men heel het veld met de zeis te oogsten en de vrouwen volgden om het gemaaide graan met een handige greep in bussels te binden.

      De lange geboorte, Lut Ureel,

      met substantief erachter


      • een bussel hout
      • een bussel prei
      • een bussel stro

      In het warenhuis wijken de consumenten uit naar de diepvrieskasten. De prijzen bleven daar onveranderd. Voor een bussel prei betaal je nu in het warenhuis 169 fr. en voor soepprei 139 fr.

      De Standaard,

      Woordfamilie


      Als deel van een afleiding


      Als linkerlid in samenstellingen en samenkoppelingen