geen gezicht zijn 1.0
niet om aan te zien zijn; er niet uitzien
Algemene voorbeelden
Fischer probeerde bewust zich direct weer op de wedstrijd te focussen. "Ik heb mezelf op tv gezien en het was geen gezicht", vertelt hij aan De Telegraaf. "Als ik Studio Sport keek, zag het er niet uit."
Het is geen gezicht, zo'n opgestroopt bloesje, hoe prachtig de borsten ook zijn.
'Jezus, mijn moeder ligt op het plaatsje te zonnen. Dat is geen gezicht. Dat mag jij niet zien.'
Een nieuwe brug bij een oude sluis is geen gezicht.