jakkeren


jakkeren 1.0

zich zeer gehaast en overmatig snel voortbewegen, veelal al rijdend, fietsend of lopend

Semagram


Jakkeren…

is een handeling

      Combinatiemogelijkheden


      met voorzetselgroep


      • door de straten jakkeren
      • door een buurt jakkeren
      • door de bossen jakkeren
      • naar een bestemming jakkeren
      • over de weg jakkeren

      Daar fietst de wethouder [...]. Nee, hij fietst niet, hij jakkert door de straten [...]. Dan stort hij zich naar voren, schudt alles en iedereen af, de blikken, de gestalten, de andere fietsers, waarvan hij zich met een noodvaart verwijdert.

      Het nietigste, Marie Kessels,

      Met gierende banden jakkert David door de Indische Buurt. Laura zit naast hem alsof ze een paard berijdt, rechtop, met haar handen op het dashboard.

      Een soort Engeland, Robert Anker,

      In de roman [...] gebruikt hij het beeld van een troep voortjagende wilde honden. Ze jakkeren onrustig door de bossen, rusten uit op open plekken en gaan dan weer voort.

      http://web.inter.nl.net/hcc/Her.Jansen/thomese.htm,

      Ze stapte [...] in een autootje en jakkerde tweehonderd kilometer naar mij toe.

      Dovemansoren, Rinus Ferdinandusse,

      Een weg als een roestbruine strip plaatijzer waar een ouwe vrachtwagen over jakkert in een wolk van roestig stof.

      De kus, Jan Wolkers,

      Woordfamilie


      Als deel van een afleiding


      Als rechterlid in samenstellingen en samenkoppelingen


      Als linkerlid in samenstellingen en samenkoppelingen


      jakkeren 1.1

      ( Gezegd van de wind)
      met grote snelheid en kracht waaien; snel en krachtig waaien

      Betekenisbetrekking


      metafoor
      Betrokken betekenissen 1.0 : 1.1

      Algemene voorbeelden


      De koffiekeet was opengebroken. De planken waarmee de ramen en deuren van de houten keet waren dichtgespijkerd, waren er weer vanaf gesloopt. Op het dak schudden verwrongen golfplaten in de wind die over het kanaal jakkerde.

      De Hunnen. Tweede deel, Jan Cremer,

      Nu jakkerde de wind door de openingen in het geheel.

      Hij zegt dat ik niet dansen kan, Manon Uphoff,

      De wind jakkerde door het helmgras op de duinen.

      Hokwerda's kind, Oek de Jong,

      Woordfamilie


      Als deel van een afleiding


      jakkeren 2.0

      gejaagd met iets bezig zijn of naar iets streven

      Betekenisbetrekking


      metafoor
      Betrokken betekenissen 1.0 : 2.0

      Semagram


      Jakkeren…

      is een handeling

          Algemene voorbeelden


          'Ik lees me rot,' zei hij. 'In jaren niet aan toegekomen, altijd bezig met rijker worden, altijd maar jakkeren naar nog een miljoen meer omzet.'

          Het samenzijn, Jan Meyers,

          Combinatiemogelijkheden


          met ander, nevengeschikt werkwoord


          • jagen en jakkeren

          'Het is nu weer een hele uitdaging op zich om de zaak voor de tweede keer financieel rond te krijgen. Maar ik neem er nu meer de tijd voor dan toen. Aquadoe moet er komen, maar ik ga niet meer zoals zes jaar geleden jagen en jakkeren om het maar snel van de grond te krijgen.'

          Meppeler Courant,