no way


no way 1.0

(informeel; (vooral) gesproken taal)

uitgesloten; ondenkbaar; geen denken aan; geen sprake van; absoluut niet; echt niet
Vaak ter versterking van een ontkenning. Soms aangevuld tot no way in hell.

Algemene voorbeelden


'De klantenrelatie is de belangrijkste software van grote ondernemingen in deze eeuw. Elke gewone klant is er een om zuinig op te zijn. Onrendabele klanten bestaan niet. Je hebt wel onrendabele bedieningsconcepten. Bij ons wordt niet geselecteerd aan de poort, no way.'

"Ik rijd van maandag tot vrijdag elke morgen om zeven uur (no way) naar mijn werk, maar niet in het weekend."

http://www.econ.kuleuven.ac.be/ew/academic/econmetr/leg/kk2002.pdf,

Kasrils: 'De regering stelde voor dat het bestaande leger de kampen zal bewaken. Wij zeiden: no way.'

de Volkskrant,

'Zomaar uit het niets voor jezelf beginnen? No way! Je hebt elkaar allemaal nodig, voor de tips, de inside information.'

Elsevier

Een afspraak met Carl? "No way", is zijn eerste reactie, nadat hij zelf ter begroeting op ons was afgestapt. "Neen, zelfs niet na afloop van de trials."

De Standaard,

"Ik ben géén pede, man. No way. Onthou dat goed."

Open gelijk een mond, Jeroen Olyslaegers,

no way 2.0

(informeel; (vooral) gesproken taal)

in de constructie no way dat: het is ondenkbaar (dat); het is uitgesloten (dat); onder geen beding
Bij deze elliptische constructie (waarin 'there is' wordt weggelaten) kan de ontkenning nog versterkt worden door een bijwoord als echt of absoluut e.d.: 'Echt no way dat ik...'

Algemene voorbeelden


Ik snak naar een kop koffie en een broodje. No way dat deze garage daarin voorziet.

Zadelpijn en ander damesleed, Liza van Sambeek,

"Dat was voor niks? Heb ik daarvoor gebikkeld? No way dat ik dat laat gebeuren."

NRC Handelsblad,

No way dat ze mij van mijn spinnenfobie zouden afhelpen.

http://www.isw.be/nl/publication/tv_express_11_2001spinnen.html

Dansstudente Soazic Reek valt met haar lengte in de Knabbel- en Babbel-categorie (1.60 meter). Maar no way dat ze in zo'n pak gaat rondlopen.

Trouw,