van goeden huize 1.0
behorend tot de hogere klasse van de maatschappij; (afkomstig) uit een goede familie
Vaak gecombineerd met zijn of komen.
Algemene voorbeelden
Vlaeminck haalt als voorbeeld een stel aan waar de partners allebei loontrekkend waren, maar zoveel leningen hadden aangegaan en zoveel recepties hadden gegeven, dat er voor de huur geen geld meer overbleef. Allebei van goeden huize, maar nooit geleerd met geld om te gaan.
van goeden huize 2.0
beschikkend over buitengewoon goede kwaliteiten; getalenteerd; heel goed
Vaak gecombineerd met zijn of komen.
Algemene voorbeelden
De 33-jarige Verbauwen had zich nog eens optimaal voorbereid op dit kampioenschap. Dan moet je van goeden huize zijn om haar de titel op de 100 m vrije slag af te snoepen.