venter


venter 1.0

iemand die voor zijn beroep waren verkoopt op de markt, op kermissen, huis aan huis of op straat; verkoper die buiten werkt

Semagram


Een venter…

is een persoon

  • [Soort] is een handelaar; is een verkoper
  • [Plaats] werkt buiten, op markten en kermissen, huis aan huis en op straat
  • [Activiteit of handeling] verkoopt waren
  • [Middel] gebruikt soms een kraampje of een karretje, of, wanneer hij huis aan huis levert, een bestelwagen
  • [Object betroffen] verkoopt meestal zaken als ballonnen, frisdrank, hotdogs, ijs, kranten, loterijbiljetten, prullaria, snacks, snoep, sigaretten
  • [Oorzaak, reden of aanleiding] doet zijn werk voor zijn beroep
  • [Organisatie en organisatiewijze] werkt meestal als zelfstandige

Algemene voorbeelden


Zodra we stilstaan in een file klampen venters van krantjes, snoep, sigaretten zich vast aan de portieren, de bumpers.

Sleuteloog, Hella S. Haasse,

De fabrikant heeft de ronde plaatjes huis aan huis laten slijten door een venter die ook in manden en bezems deed.

De tandeloze tijd. Dl. 1: Vallende ouders, A.F.Th. van der Heijden,

De Olijfboer had het toestel gekocht van de venter die om de maand met zijn bestelwagen langskwam.

Na de siësta, Paul Koeck,

Op de kermis waren ook zangers en venters aanwezig. In Gent was Karel Waerie, bekend als 'den Gentsche Béranger', de volksheld [...]. Andere volksfiguren die we steevast terugvinden zijn de venters met de makaronkast, bij wie je tegen betaling een gok mocht wagen om een blad vol makarons te winnen.

http://www.huisvanalijn.be/nl/collectie/fanfare/achtergrond-bottom.html

Woordfamilie


Als rechterlid in samenstellingen en samenkoppelingen


Als linkerlid in samenstellingen en samenkoppelingen