ziek


ziek 1.0

defWNT: I) Lijdend aan een verstoring van de physieke functies; niet gezond. Van levende wezens. 1) Van personen en hun lichaam: lijdend aan lichamelijke stoornissen, zich daardoor onwel voelend en niet in staat tot de gewone verrichtingen. defVD: 1 zich bevindend in een toestand dat de levensprocessen niet regelmatig en ongestoord verlopen, lichamelijk ongesteld

Woordfamilie


Als rechterlid in samenstellingen en samenkoppelingen


Als linkerlid in samenstellingen en samenkoppelingen


ziek 2.0

restVD: 2 misselijk makend

ziek 3.0

(neologisme)

heel goed; steengoed; geweldig
In deze betekenis is ziek jongerentaal. Ook gebruikt als bijwoordelijke bepaling bij een bijvoeglijk naamwoord, in de betekenis 'heel erg; enorm'.

Algemene voorbeelden


Net d'n deze maar weer eens opgezet, was blijkbaar gisteren 20 jaar geleden dat ie uitkwam. Nog steeds een zieke plaat.

Fok!,

Ik ben trouwens ziek goed voorbereid. Morgen op vakantie en heb net al mijn laatste was gedaan. Zo in de droger stoppen. Hoeven we morgen alleen nog maar de tassen in te pakken.

Fok!,

Vanochtend liep ik naar mijn waggie en voelde ik mij bekeken. Kijk ik omhoog zit ze mij uit te checken. Ik had wel een zieke swag. No cap. Van top tot teen elegant maar casual gekleed.

Fok!,

Ik waardeer die Belg overigens wel hoor. Maar ook hij draagt altijd 2 horloges. Hij heeft wel echt een zieke collectie trouwens.

Fok!,

'Na een half uurtje blauwbekken en patriottisch geouwehoer over hoe goed de Amerikanen wel niet bezig waren, zijn we lekker een bakkie wezen doen in de Dutch Corner. Daar draaide net Jackass 2. Wat een zieke film is dat!'

de Volkskrant,