à quatre 1.0
(Frans) met z'n vieren; met vier personen of zaken; ook: voor vier
Vooral in enige vaste verbindingen.
Algemene voorbeelden
'Het menu voor morgen zullen we dadelijk à quatre bespreken, d'accord?' Bleef het dus verder à quatre, had King nog willen vragen, maar de consul-generaal sprong al uit zijn fauteuil overeind om de dames te begroeten.