bonje


bonje 1.0

(informeel)

ruzie; herrie

Semagram


Bonje…

is een toestand

  • [Toestand algemeen] is een toestand waarbij men ruzie of onenigheid heeft of waarbij iemand terechtgewezen wordt

    Combinatiemogelijkheden


    als object bij een werkwoord


    • bonje hebben met
    • bonje krijgen
    • bonje maken

    Van de lagere en in iets mindere mate van de middelbare school herinner ik me dat het meestal de jongens waren die bonje kregen.

    NRC,

    als subject bij een werkwoord


    • dan is er bonje
    • daar komt bonje van

    De waardin tracht het gesprek zo ver mogelijk van Guy Spitaels te houden. De huispolitiek gebiedt dat, want zegt de waardin: "Als de klanten over politiek praten, komt er alleen maar bonje van. De één denkt zus, de ander zo. En dan komen daar hoge woorden bij en misschien ook rake klappen."

    De Standaard,

    overig


    • dit wordt bonje

    Databasemarketing: techniek om publiek aan te spreken op basis van gegevens uit databestanden. Hulpmiddel om service te verhogen of, in tijden van cultuurparticipatie, meer publiek aan te boren. Dit wordt bonje. De haren rijzen minister Anciaux te berge als zijn participatiebeleid vereenzelvigd wordt met "veel volk". Hij gruwelt van de terminologie die zijn critici hanteren. Die durven het wel eens over "kijkcijferterreur" te hebben. Toch is het de minister om een groter publieksbereik te doen. Daar is de databasemarketing een verleidelijk hulpinstrument voor.

    De Standaard,

    met onbepaald voornaamwoord


    • wat bonje hebben

    'Wat is er nou aan de hand?' vroeg ik toen ik had ingeschonken. 'O, ik heb wat bonje op het Departement,' antwoordde hij.

    Requiem voor een vriend, J.J. Voskuil,

    met adjectief ervoor


    • de grootste bonje hebben
    • vreselijke bonje hebben

    Natuurman Winters wees op de versnippering van natuurgebieden als grootste bedreiging. Als voorbeeld kwam hij met de aanleg van de A50 dwars door de Veluwe. "Dat de Veluwe in twee stukken verdeeld was, daar kwam de grootste bonje van".

    Meppeler Courant,

    bonje 1.1

    (informeel)

    keer dat iemand bonje maakt; geval van bonje

    Betekenisbetrekking


    metonymie
    Betrokken betekenissen 1.0 : 1.1

    Algemene voorbeelden


    Toen kwam de zomer van 1993. De tijd van brouilles, bonjes, twistjes en ludduvuddu.

    Het leukste jaar uit de geschiedenis van de mensheid, Ronald Giphart,