buzzword


buzzword 1.0

(taal en taalkunde)

woord dat in de mode is maar vaak een vage betekenis heeft; vaag modewoord

Semagram (extra betekenisinformatie)


Een buzzword…

is een woord; is een uiting

      Algemene voorbeelden


      Dat boek werd in 2011 verfilmd met Brad Pitt in de hoofdrol. En moneyballing – geld besparen door beslissingen op objectieve gegevens te baseren – werd een buzzword, schrijft Lewis, ook in andere takken van sport dan sport, zoals onderwijs en zorg. Maar bij de auteur bleef een recensie in New Republic knagen van een econoom en een rechtsgeleerde, die schreven dat de systematische beoordelings- en beslissingsfouten die mensen maken allang door Kahneman en Tversky waren beschreven. L

      nrc.next,

      Opgepast, hier waakt het netwerk ALS de internetwereld in 2006 één buzzword heeft gekend, dan was het wel "video''. Hoewel het al jaren voorspeld werd, lijkt het bekijken van videobeelden via breedbandnetwerken pas nu door te breken. Het succes van websites als YouTube en Google Video spreekt boekdelen.

      De Standaard,

      Nu wordt De Lakenhal geprezen om zijn ondernemerschap. Dat ondernemerschap is het nieuwe buzzword in de cultuurwereld. Net als de hoofdredacteur van een krant is de leiding van theatergezelschap, orkest en museum als een ondernemer op zoek naar nieuwe manieren om het publiek te verleiden en geld binnen te halen. Die nadruk op het economische slaat soms wel te ver door. Op de vraag naar de relevantie van kunst en cultuur werd het afgelopen anderhalf jaar maar al te vaak vanuit de kunsten geantwoord met weer een rapport dat bewijst dat cultuur, heus, ook geld oplevert, bijvoorbeeld in de vorm van hogere huizenprijzen in de buurt van een theater.

      NRC Handelsblad,

      Etymologie


      Aard herkomst leenwoord
      Brontaal Engels
      Vorm in brontaal buzzword
      Betekenis in brontaal idem