gemenerik


gemenerik 1.0

iemand die gemeen is; gemeen persoon
Ook gebruikt als scheldwoord.

Semagram


Een gemenerik…

is een persoon

  • [Eigenschap of hoedanigheid algemeen] is gemeen; wordt gemeen gevonden

    Algemene voorbeelden


    Ze storten zich allemaal tegelijk op de desbetreffende deur, en vormen zo een massablokkade in de al snel te krappe gang. En als je je dan door de muur bruggers heen probeert te wringen, (want 'mag ik er even langs' verstaan ze niet) schelden ze je uit voor gemenerik of iets in die richting.

    http://www.haarlemsdagblad.nl/Index/0,4376,,00.html?sHoofdUrl=http%3A%2F%2Fwww.haarlemsdagblad.nl%2FPagina%2F0%2C7100%2C10-1-5722-7142-1615366-1488--%2C00.html,

    Zijn romanpersonages zijn geen van allen gemeneriken; eigenlijk zijn het allen lieden die reusachtig hun best doen.

    NRC,

    Als jij mij in elkaar schopt, zal ik je niet in de ogen kijken en dan zeggen: 'Wat ben je toch een gemenerik!'

    De Standaard,

    Woordfamilie


    Als deel van een afleiding