valserik


valserik 1.0

iemand die vals is; vals persoon; gemenerik
Ook gebruikt als scheldwoord.

Semagram


Een valserik…

is een persoon

  • [Eigenschap of hoedanigheid algemeen] is vals; wordt vals gevonden

    Algemene voorbeelden


    Ik sloeg hem een blauw oog, net goed natuuriijk - maar kon hem niet verhinderen te gaan klikken, de valserik.

    Het binnenste ei, Hannes Meinkema,

    'Het leek alsof het alleen maar de anderen waren die iets deden. Ze liepen te konkelen, terwijl hij er bij was. Ze liepen langs hem heen. Ze raakten hem. Ze liepen hem omver. In al de betekenissen van het woord. Maar hij zag het niet [...]. Ik had medelijden met hem. Ik verlangde ernaar om hem te helpen. Ik was woedend wanneer ik aan de valseriken dacht.'

    Verborgen schade, Aster Berkhof,

    Het is dat consumentenprogramma waarvan de presentator bij nietsvermoedende burgers en bedrijven met zijn cameratroepen binnenstormt, terwijl hij uitroept: "De naam is Storms, Pieter Storms!" Het is de bedoeling dat de aangesprokene, een uitgesproken valserik, van schrik achteroverslaat en zich in zijn gebit verslikt, maar voordat de verstikkingsdood of een hartinfarct hem uit het leven wegroept, wordt hij geacht zijn portefeuille uit zijn binnenzak te trekken en ter beschikking te stellen van de door hem gedupeerde consument, die zich gedwee in het spoor van RTL's Robin Hood bevindt.

    NRC,

    Woordfamilie


    Als deel van een afleiding


    • valserikje