l'état, c'est moi 1.0
(taal en taalkunde)
Algemene voorbeelden
Anders dan de overlevering wil, heeft Lodewijk XIV, de belichaming van de absolutistische monarchie, nooit uitgeroepen 'L'état, c'est moi'. Hij had het echter kunnen doen, meent Schulze, en met hem de meeste andere regerende vorsten in Europa, maar ook hier geldt dat onder 'staat' nog niet de politieke uitdrukking van soevereiniteit en onafhankelijkheid moet worden begrepen die ze pas later zou worden. Hoewel de macht van de vorst 'absoluut' was, hem van Godswege toevertrouwd, bleef het bereik van de staat beperkt.
In Frankrijk, waar de burgeroorlogen veel langer aanhielden, werd de doctrine van het ius divinum een van de belangrijkste pijlers van het streven naar nationale eenheid onder Richelieu en Mazarin en vooral Louis XIV zelf. Daar werd zij, verbonden met de macchiavellistische leer van de raison d'état, uitgewerkt tot een theorie van het absolute en arbitraire koninklijke gezag. "L'état, c'est moi", zou Louis XIV zeggen: hij, en hij alleen, waakt over het staatsbelang waarvan alle andere belangen afhankelijk zijn en waarvoor zij moeten wijken.
Voor de koning-filosoof geldt letterlijk het woord van Louis XIV: "L'état, c'est moi". Zijn wijsheid regeert over alles en allen. Zijn redelijke wil regeert de staat, zoals de wijze zijn eigen lichaam onder controle heeft.
Een goed voorbeeld van een absolute vorst is de Franse koning Lodewijk XIV. De aan hem toegeschreven spreuk "L'État, c'est Moi" (De Staat, dat ben Ik) heeft hij waarschijnlijk nooit gebezigd; historici denken dat dit hoogstwaarschijnlijk een uitspraak is van politieke tegenstanders om de situatie van absolute heerschappij goed weer te geven.
Sinds de jaren zestig neigen economen, politicologen en politici ertoe het algemeen belang als een louter formeel, inhoudsloos begrip voor te stellen dat door machthebbers naar believen kan worden ingevuld. In die opvatting is het niet verwerpelijk het algemeen belang gelijk te stellen met het belang van de regerende partij. Maar daarmee vallen we in feite terug op de feodale praktijk van het ancien régime, waarin de staat een instrument was in dienst van de heersende dynastie (l'état, c'est moi).
l'état, c'est moi 1.1
(taal en taalkunde)
Algemene voorbeelden
Brian lacht schaterend en zet zijn zonnebril af. 'Mijn kantoor is ambulant. L'office, c'est moi, haha!'
Drie JS'ers sprongen, toen Tobback zijn rede begon, op het podium en rolden een spandoek uit met de tekst: Le parti, c'est moi.
Ik schrijf over taal, over het schrijven zelf en weet soms niet meer wie er nu eigenlijk aan het woord is. Soms gaan hele gedeelten in mijn hoofd er op eigen houtje vantussen. Het is eigenlijk zowel een oproepen als een bezweren, want er zijn tijden dat taal sonoor gaat klinken. Eerst zijn het onschuldige zinnetjes, een prevelen uit hoeken, zoals na u... nee maar... nu moet je eens goed luisteren... ik gebruik nóóit zeep... Er is ook veel buitenlands bij, zoals das ist die Höhe... du kannst mich mal... la prostate c'est moi... en dan is er de schunnige taal, blasfemieën waarvoor het kruis niet veilig is.
Bomans over alleen zijn. Dat je dan je eigen gezelschap moet zijn. Dat je je moet opsplitsen in twee mensen: degene die iets doet en degene die toekijkt. En dat je dat dus maar even volhoudt. Kon er me niet veel bij voorstellen. Misschien bedoelde hij dat als je alleen bent, je je voortdurend van jezelf bewust bent. Van je alleen-zijn. L'enfer, c'est moi. Maar ook: le ciel, c'est moi. Dat laatste niet voor Bomans, althans niet op dat eiland, maar wel voor mij. Nu eens de hel, dan weer de hemel.