noncha


noncha 1.0

(informeel)

nonchalant; onachtzaam
Het woord wordt vooral in jongerentaal gebruikt en heeft daarin ook een positieve betekenis die wel iets lijkt op 'stoer'.

Algemene voorbeelden


In die zeven jaar is de 'ik ben de noncha mamma in mijn kaki broek maar heb wel mijn dure imponeerschoenen aan' geen spat veranderd. En je kunt het je gewoon niet voorstellen dat ze zoiets onfatsoenlijks zou doen als datgene wat nodig is om zwanger te raken.

Parool,

Wat Hetty dan weer raar vindt, is dat kerels die stoel ook blijven omarmen terwijl ze allang vooruitrijden. Hij wil daarmee uit stralen dat alles onder controle is, vermoedt ze, maar het kan ook zijn 'dat hij zijn liefje mist dat altijd naast hem zit'. Anna (19, Nijmegen) vindt het in elk geval wel een heerlijk gezicht, zo'n relaxed sturende vent, begrijpen we. Het staat lekker noncha en eigenzinnig, en dat zijn volgens Anna toch de aantrekkelijkste eigenschappen die een man aan de dag kan leggen.

de Volkskrant,

Noncha is de kakkerige afkorting voor nonchalant. Noncha is het om een trui van 100 gulden slordig om je schouders te knopen. Noncha is het om je Elephant-shirtjes toch bij de Bonneterie te kopen, terwijl ze voor dertig gulden goedkoper in de confectiebakken van de Bijenkorf liggen. Noncha ben je ook als de punt van je Fila-hemd 'per ongeluk' uit je afzakkende ruitjespantalon hangt.

Het Vrije Volk,

Etymologie


Aard herkomst inheems woord
Bijzonderheden Het Belgische nieuwskanaal voor tieners nws.nws.nws koos noncha in 2024 als tienerwoord van het jaar.