snibbig


snibbig 1.0

(Gezegd van personen, hun karakter of hun uitingen en vaker gezegd van vrouwen dan van mannen)
fel en nijdig; geprikkeld en afgemeten; bits; vinnig; op bitse, vinnige wijze

Algemene voorbeelden


De onderwijzer, vagelijk aangeduid als iemand die in zijn jeugd traumatische klappen kreeg, is door de auteur kennelijk bedoeld als degene die bij die twee echtelieden iets moet openbreken. Maar omdat de man en de vrouw voornamelijk snibbige oneliners in de mond werden gelegd, krijgt hun fel-realistische schreeuwruzie in de slotscène te weinig lading: we hebben ze immers nauwelijks leren kennen.

NRC,

Boodschappentassen bungelden aan de armen die ze onder hun boezem gevouwen hadden, maar voor welke boodschap ze van huis waren gegaan waren ze allang vergeten. De een wist nog beter dan de ander wat er was fout gegaan in het leven van Peer de Snep. Snibbig probeerden ze elkaar te overtroeven met wetenswaardigheden over het doen en laten van de politie.

De hangende man, Koos van Zomeren,

'Kijk nu eens goed naar zijn figuur, zo'n soepel lichaam vol prachtige spieren...' Haar misvormde nagels tikten snibbig op de tekening. 'En jij maakt er een gorilla van.'

Alle vogels van de wereld, Daphne Buter,

'Ik zou zo over je heen kunnen kotsen, weet je dat, over jou en over al je snibbig geformuleerde wijsheden.'

Fantoompijn, Arnon Grunberg,

Combinatiemogelijkheden


met substantief


  • het snibbige meisje
  • het snibbige mens
  • een snibbige moeder
  • zijn snibbige vrouw
  • een snibbig wezen

Ze betaalde de rekening bij het snibbige meisje in het café, belde een taxi en ging buiten staan wachten.

Alle families zijn psychotisch, Douglas Coupland,

Ik had het wel gebekte, snibbige mens met de korte benen en plompe, uitgezakte kuiten ooit maar éénmaal ontmoet, bij Gina thuis, op haar flat.

Op toernee met Leopold Sondag, Ward Ruyslinck,

De andere rollen waren voor de vaste crew van de Bloem. Jannie Beltman als de overtuigende snibbige moeder, een heerlijk kreng. Janneke Wind speelde de dochter des huizes, Ankie die het op haar beurt aanlegde met de tot ober-huisknecht verklede Jan Bennink, die eigenlijk een advocaat was.

Meppeler Courant,

Willem Bleeker, de man in haar debuut Bleekers zomer, neemt op een dag zomaar de benen. Weg van zijn geestdodende werk en zijn snibbige vrouw.

http://www.mensjevankeulen.nl/interviews.htm#VN

Wanten is log en dom en begrijpt nooit iets. Dalle, zijn vrouw, is een snibbig, verwoestend wezen. Maar soms is Wanten haar te slim af.

Het verdriet van België, Hugo Claus,

  • snibbige stemmen

Dromen en rook verdreven door snibbige stemmen, misprijzende blikken en met theedoeken om zich heen vegende bitse wijven, de zachte bruine huid uit de herinnering vervangen door het bleke vel dat in de eerste zonnestralen helroze werd.

De Hunnen. Dl. 3: Vrede, Jan Cremer,

  • iemands snibbige toon

'Heb jij hem dan niet gebeld?' 'Nee,' zei ik kortaf. Ik schrok zelf van mijn snibbige toon.

De zonnewijzer, Maarten 't Hart,

met bijwoord


  • bijna snibbig
  • half snibbig

Naast me liep een meisje uit de andere tent. 'Het was geen echt bloed hoor,' fluisterde ze. 'Wat dan?' vroeg ik bijna snibbig. 'Gewoon ranja met zout,' giechelde ze.

De meisjes van de suikerwerkfabriek, Tessa de Loo,

'Die twee hebben weer wat, hoor, samen,' zei mijn oma, half snibbig, half vertederd.

De tandeloze tijd. Dl. 1: Vallende ouders, A.F.Th. van der Heijden,

  • niet snibbig

Pa las de krant, genietend van zijn koffie, en was niet snibbig zoals hij later op de dag altijd werd.

Congres in Salzburg, Monda De Munck,

  • nogal snibbig
  • tamelijk snibbig
  • vrij snibbig

Ik dacht aan wat Thomas altijd had gezegd: 'Die oeroude jongejuffrouwen lijken verzuurd en verbitterd en zijn altijd nogal snibbig.'

De zonnewijzer, Maarten 't Hart,

Terwijl het vosje de neus al naar de stal richtte, draaide mevrouw Schwantje-Stultiëns zich in het zadel naar me om. Wat ze verder nog zei klonk tamelijk snibbig. 'Zijn jullie vanmiddag thuis?' 'Ik wel.'

De tandeloze tijd. Dl. 1: Vallende ouders, A.F.Th. van der Heijden,

Wat Emmy betreft, zij kreeg later een lintje en ik was zo dom haar te complimenteren wegens haar vele werk voor de Vereniging van Letterkundigen als jarenlang secretaresse. maar vrij snibbig zei ze toen: 'Dáárvoor ben ik niet onderscheiden, maar als schrijfster.'

Wie ik tegen kwam, C.J. Kelk,

met werkwoord


  • zich snibbig afreageren

'Ach, aan je kinderen heb je niks,' zei ze, en tegen mijn oudste broer, die toevallig op dat moment zijn hoofd om de deur stak – even controleren of alles nog goed was met haar – reageerde ze snibbig af: 'En laat jij de hond uit.'

Mevrouw mijn moeder, Yvonne Keuls,

  • snibbig klinken

Terwijl het vosje de neus al naar de stal richtte, draaide mevrouw Schwantje-Stultiëns zich in het zadel naar me om. Wat ze verder nog zei klonk tamelijk snibbig. 'Zijn jullie vanmiddag thuis?' 'Ik wel.'

De tandeloze tijd. Dl. 1: Vallende ouders, A.F.Th. van der Heijden,

  • iets snibbig opmerken
  • snibbig roepen
  • iets snibbig vragen
  • snibbig zeggen

Toen ze snibbig opmerkte wat hij daar dan zelf ging doen, zei hij dat deze reis voor hem allerminst een toeristisch uitstapje was.

De kus, Jan Wolkers,

De balie van hotel Mercure: bebrild en snibbig roept de receptioniste ons ter verantwoording voor twee niet-genoteerde flesjes water uit de minibar.

Engelenplaque, A.F.Th. van der Heijden,

'Hier zijn geen schoonheidskoninginnen,' riep Lien snibbig, 'daarvoor moet u bij de controle zijn.'

De meisjes van de suikerwerkfabriek, Tessa de Loo,

De styliste keek even op. Ik vroeg: 'Hebt u misschien iets waarmee ik m'n kunstnagels er weer af krijg?' 'Zelf opgeplakt zeker?' vroeg ze snibbig. 'Ja,' zei ik schuldbewust.

De zonnewijzer, Maarten 't Hart,

'Neemt u me niet kwalijk, zou ik... mag ik dokter Stolz misschien even aan de lijn?' stotterde ze. 'Die is niet te spreken,' zei mevrouw Stolz snibbig en gooide de hoorn op de haak. '

Mooi was Maria, Marijke Höweler,

'Twee muizen in de relaiskast. Meteen waren alle stoplichten ontregeld!' Ravesteijn raakte opnieuw geïrriteerd door de inspecteur, die volgens hem de ernst van de zaak niet juist inschatte. 'Ik kan me niet voorstellen dat muizen hier iets mee te maken hebben, 'zei hij snibbig.

De lift: naar het filmscenario van Dick Maas, Gerben Hellinga,

  • iemand snibbig wenken

Op dat moment werd hij echter snibbig gewenkt door een vrouw bij de deur en hij stond op, verontschuldigde zich en liep naar haar toe.

NRC,

  • snibbig zijn

Ik dacht aan wat Thomas altijd had gezegd: 'Die oeroude jongejuffrouwen lijken verzuurd en verbitterd en zijn altijd nogal snibbig.'

De zonnewijzer, Maarten 't Hart,

Ze kon zo snibbig zijn. De laatste tijd nam haar slechte humeur toe. Ze viel zomaar tegen hem uit. Om niets.

Weerloos, Jan Siebelink,

in voorzetselgroep


  • op snibbige toon
  • op een snibbig toontje

'Ik weet hoe het hoort', antwoordt Grant Psy +, enigszins op snibbige toon.

Het diepe water, Julien Van Remoortere,

Ineens boog ze zich over de tafel naar hem toe en vervolgde op een snibbig toontje: 'Ik ben weggedaan, begrijp je?'

Alle vogels van de wereld, Daphne Buter,

Woordfamilie


Als deel van een afleiding


snibbig 1.1

(Gezegd van lichaamsdelen)
blijk gevend van een fel en nijdig karakter; een fel en nijdig karakter of een felle en nijdige gemoedstoestand uitstralend, weerspiegelend

Algemene voorbeelden


Naast de ingang zat een griet met een snibbig gezicht op een stoeltje.

Alle vogels van de wereld, Daphne Buter,

Ja, ik herkende haar, aan haar snibbige bek, haar uitgezakte kuiten en het wit overpoederde, ronde wratje op haar voorhoofd, niet groter dan een miereëitje. Ze was niet wat men noemde getekend door het leed.

Op toernee met Leopold Sondag, Ward Ruyslinck,

Woordfamilie


Als deel van een afleiding