zekerlijk 1.0
(formeel; verouderend; (vooral) geschreven taal)
Algemene voorbeelden
Voor zijn volgende vakantie zal hij er zekerlijk voor zorgen weer een plaats te ontdekken die kraakt van ouderdom en desolaatheid, die duizelt tussen heel hoog en heel diep, een plaats met opwindende anomalieën, onrustbarend voedsel, gestoorde nachtrust, een plaats met helden en heiligen, steden en wegen die zijn ziel afsplitsingen zullen doen genereren dat het niet meer is bij te houden, een plaats waar hart en hersens zo nog eens knetsend en vonkend in kortsluiting komen.
In onze mooiste momenten zullen wij zekerlijk ook bij de vijver met de rozen en de zwanen staan en zeggen: kijk toch hoe mooi dat is, hoe mooi toch.
De politie waarschuwt nogmaals om juwelen en geld zekerlijk niet in slaap- en badkamer weg te stoppen. Slachtoffers van recente inbraken kunnen deze waarschuwing louter bevestigen!
Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem!
Combinatiemogelijkheden
met werkwoord
- iets zekerlijk doen
Het is opmerkelijk dat mensen als Cervantes en Shakespeare en Melville en Kafka [...] zo weinig blijk geven van politiek engagement of bekommernis om hun eigentijdse problematiek. Ze zijn met grotere dingen bezig, en daarom zullen ze nog leesbaar en zelfs troostrijk zijn als omstreeks het jaar 2010 de wereld aan het vergaan is, zoals zij dat volgens Professor Meadows zekerlijk zal doen.
met bijwoord
- zeer zekerlijk
Wie keek me in de rug toen ik in dat geheimnisvolle uur tussen nacht en dag dit ding over mijn hoofd trok, wie van de drie? Het was die blonde, zeer zekerlijk werd ik toen de groene katteblik van de blonde gewaar.