kleindochter


kleindochter 1.0

dochter van de zoon of dochter van iemand; vrouwelijk kleinkind

Semagram


Een kleindochter…

is een persoon

  • [Geslacht] is van het vrouwelijk geslacht; is een vrouw of een meisje
  • [Betrokkene] heeft diegenen van wie ze een kleindocher is als grootouders; heeft een grootvader en een grootmoeder
  • [Betrekking of relatie] is een dochter van de zoon of de dochter van iemand

    Algemene voorbeelden


    Maar het meest dacht ik aan al het moois dat Astrid over vader had verteld en elke avond, voor het inslapen, beloofde ik hem dat ik hem een kleindochter zou schenken.

    Anna, Hanna en Johanna, Marianne Fredriksson,

    Andere poging: de moedercel vormt twee dochtercellen. Waar is de moedercel dan naartoe? Is die dood? Haar materiaal zit nu evenredig in twee nieuwe cellen: is zij dan opgelost in haar dochters? Of leeft zij door in haar dochters? Wanneer gaat zij dan dood? Als haar beide dochters sterven? Maar die hebben allang kleindochters gemaakt, en die kleindochters achterkleindochters, etc.

    http://www.bio-ned.nl/Schramper_kloneren.htm,

    In zijn dagboek herinnert Claude daaraan: kleindochter Nathalie schrijft een bijdrage over de auteur van La recherche voor het Bulletin Marcel Proust.

    De Standaard,

    Combinatiemogelijkheden


    met adjectief ervoor


    • de oudste kleindochter
    • een aangetrouwde kleindochter

    "De spanning tussen ANC en Cosatu zal zeker groter worden", meent ANC-parlementslid Melanie Verwoerd, een aangetrouwde kleindochter van de ex-apartheidsleider Hendrik Verwoerd.

    De Standaard,

    De blik van de oudste kleindochter wordt gevolgd door haar altijd grijnzende broer.

    't Is zo weer nacht, Joyce Roodnat,

    met voorzetselgroep


    Voorzetsel: van

    • de kleindochter van Gerard Walschap
    • de kleindochter van Max Euwe

    Als kleindochter van Max Euwe, ooit wereldkampioen schaken, spreekt en filmt ze met kennis van zaken.

    De Standaard,

    De kleindochter van Gerard Walschap die er ook in een kantoortje werkt en met wie ik bevriend raak.

    Een jaar als (g)een ander, Kristien Hemmerechts,

    met bezittelijk voornaamwoord


    • haar kleindochter
    • hun kleindochter
    • mijn kleindochter
    • zijn kleindochter

    Mijn kleindochter legt haar kop op mijn hoofdkussen en zegt: kom nu maar.

    De wekker, André Janssens,

    Nu ik mijn kleindochter terugheb, wil ik dingen doen die grootmoeders met hun kleindochters doen.

    Westenwind, Simone Duwel,

    Hij vertelt zijn kleindochter hoe de mensen indertijd twijfelden aan zijn huwelijk, en niet al te sterk vertrouwden op de duurzaamheid ervan: het jonge paar had geen stevige financiële levensbasis, noch een woning.

    De Standaard,

    Met oom Abel en mij mee naar het Jiddisch muziekfestival wilde ze niet, ze zingen toch niet meer zoals vroeger bij mij thuis, gaan jullie maar met zijn tweeën, en weg was ze, zo verlangde ze naar haar kleindochter.

    Liefdesmeer & andere verhalen, Chaja Polak,

    voorafgegaan door naamvalsgenitief


    • Anna's kleindochter

    Jacqueline laat me op aandringen van Anna nog het ensemble zien waarin ze naar het huwelijksfeest van Anna's kleindochter gaat.

    De Standaard,

    met ander, nevengeschikt substantief


    • dochter en kleindochter

    Zo vertelt Irmgard Schmidt-Maybach, dochter en kleindochter van de oorspronkelijke oprichters van het merk en in New York als eregast aanwezig: "Begin vorige eeuw bestelde het Nederlandse automerk Spyker een flink aantal motoren bij de Maybach-fabriek, maar ging kort daarna failliet."

    Haarlems Dagblad,

    Om zijn 90-jarige moeder niet te laten schrikken, houden haar dochter en kleindochter het nieuws achter.

    http://users.raketnet.nl/derecensent/iffr2.htm,

    Vaste verbindingen


    iemands kleindochter kunnen zijn

    1. zo veel jonger zijn dan iemand dat er wel twee generaties verschil lijken te zijn
      Vooral gezegd over een vrouw in een relatie met een veel oudere man

      'Ik heb ooit ook eens zo'n jonge meid gehad,' zei hij. 'Zeg, je denkt toch niet... Tracy kon mijn kleindochter zijn.' Hij wuifde mijn protest met een van zijn grote handen weg. 'Ze was achttien,' zei hij, 'ik veertig. Ze wilde schrijfster worden. En nu was ze met mij meegegaan om levenservaring op te doen. Nou, die heb ik haar gegeven.'

      Buiten is het maandag, J. Bernlef,

      Het was angstig en feestelijk tegelijk. De aanwezigheid van een ander mens in dit huis waarin hij nu al zo lang alleen woonde. Hij lag op zijn rug in het donker. Beneden hoorde hij de televisie. Ze was nog een kind. Maar toch. Het hoorde niet. Ze kon zijn kleindochter zijn.

      Verbroken zwijgen, J. Bernlef,

    Woordfamilie


    Als deel van een afleiding


    Als rechterlid in samenstellingen en samenkoppelingen


    kleindochter 1.1

    ((vooral) in België)

    bedrijf dat via zijn moederbedrijf wordt gecontroleerd door het moederbedrijf van dat laatste; afhankelijk bedrijf

    Betekenisbetrekking


    metafoor
    Betrokken betekenissen 1.0 : 1.1

    Semagram


    Een kleindochter…

    is een bedrijf

        Algemene voorbeelden


        Waarom bij kleindochter Tractebel blijven zitten als hij voor hetzelfde geld bij grootmoeder Suez zijn zegje kan doen over een veel groter geheel?

        De Standaard,

        Drie Amerikaanse warmtekrachtkoppelingscentrales zijn de recente aanwinsten van de Belgische energiegroep Tractebel. Kleindochter CRSS, een onafhankelijke Noord-Amerikaanse elektriciteitsproducent, nam energiecentrales over in de Amerikaanse staten Pennsylvania en Californië en het Canadese Ontario.

        De Standaard,

        Woordfamilie


        Als rechterlid in samenstellingen en samenkoppelingen


        Als linkerlid in samenstellingen en samenkoppelingen