schijt- 1.0
(zeer informeel; pejoratief)
als eerste deel in tal van samenstellingen ook gebruikt als voorvoegsel, om aan te
geven dat wie of wat in het tweede deel van de samenstelling genoemd is geen enkele
kwaliteit heeft: zeer slecht; waardeloos; rot
Woordfamilie
Als linkerlid in samenstellingen en samenkoppelingen
- schijtacteur
- schijtbaan
- schijtbedrijf
- schijtbeest
- schijtbeleid
- schijtbestuur
- schijtblad
- schijtcamping
- schijtclub
- schijtfabriek
- schijtfeest
- schijtfiguur
- schijtfilm
- schijtgeld
- schijtgeluid
- schijthok
- schijthumeur
- schijtkaart
- schijtkabinet
- schijtkerel
- schijtkleur
- schijtklus
- schijtkrant
- schijtland
- schijtmaatschappij
- schijtmentaliteit
- schijtmoraal
- schijtmuziek
- schijtpartij
- schijtprijs
- schijtprogramma
- schijtregering
- schijtrommel
- schijtschool
- schijtservice
- schijtshow
- schijtstad
- schijtstreek
- schijttentamen
- schijttoernooi
- schijtvader
- schijtvent
- schijtverhaal
- schijtvoetballer
- schijtwedstrijd
- schijtweer
- schijtwerk
- schijtwijf
- schijtwoord
- schijtzomer
- schijtzooi
schijt- 2.0
(zeer informeel; pejoratief)
als eerste deel in tal van samenstellingen gebruikt als versterkend voorvoegsel, om
aan te geven dat wat in het tweede deel van de samenstelling genoemd is in hoge mate
het geval is: zeer; erg
Woordfamilie
Als linkerlid in samenstellingen en samenkoppelingen
schijt- 3.0
(zeer informeel; pejoratief)
gebruikt als eerste deel in bijvoeglijke naamwoorden om aan te geven dat wat het tweede
deel uitdrukt, niet echt waar is, niet echt zo is; zogenaamd; quasi
Vooral gebruikt in samenstellingen waarin het tweede lid 'grappig' betekent.