zitskiën


zitskiën 1.0

(wintersport)

skiën in een zitski; zich in een zitski voortbewegen
Zie ook : zitski

Semagram (extra betekenisinformatie)


Zitskiën…

is een handeling

      Algemene voorbeelden


      Veel patiënten vinden het bijvoorbeeld verschrikkelijk dat ze niet meer op wintersport kunnen, omdat dat altijd een hoogtepunt was in de familie. Wel, als die mensen dan kunnen zitskiën, zit zo'n gezinsvakantie er opeens wél weer in.

      Het Nieuwsblad,

      Mijn vriendin Marte zit ook in een rolstoel. Iets voor mijn ongeval kreeg ze een botziekte, waardoor ze niet meer kon stappen. We deden allebei acrogym, maar in andere clubs, en nu zitskiën we samen.

      Het Nieuwsblad,

      Mijn goede vriend Alja van Peursen is skileraar. Hij bood aan om de opleiding voor instructeur zitskiën te volgen, zodat hij het mij kon leren. Sinds een jaar ga ik iedere week met hem een paar uur zitskiën.

      Algemeen Dagblad,

      Woordfamilie


      Als deel van een afleiding


      Overige woordfamilieleden


      Etymologie


      Samenhangende woorden (betekenis) krukski; monoski; paraskiën