zitskiër


zitskiër 1.0

(wintersport)

iemand die de wintersport zitskiën beoefent; iemand die skiet in een zitski
Zie ook : zitski

Semagram (extra betekenisinformatie)


Een zitskiër…

is een persoon

  • [Doel of bestemming] kan recreatief of in wedstrijdverband zitskiën
  • [Eigenschap of hoedanigheid algemeen] heeft meestal een beperking aan het onderlichaam waardoor skiën op reguliere ski's niet mogelijk is
  • [Instrument] skiet vaak met behulp van krukski's of skistokken

    Algemene voorbeelden


    Hij gaf een plek in de jeugdselectie van het Nederlandse rolstoelbasketbalteam op omdat hij met zitskiën een betere kans zou hebben op een medaille op de Paralympische Spelen. Dinsdag bleek dat de juiste keuze voor de 18-jarige Jeroen Kampschreur. De paraskiër won in Pyeongchang goud op de supercombinatie voor zitskiërs. Het is de eerste medaille voor Nederland bij het paralympische skiën.

    Volkskrant,

    De drie zitskiërs die dit jaar mee zijn - Dirk, Ralf en Bernard - trekken zich behoorlijk uit de slag. Zodra ze in hun zitski op de piste zijn geholpen, zie je ze niet meer terug, tot het middag- of avondmaal.

    De Standaard,

    Ook tijdens de Paralympische Spelen is de politiek niet ver weg. Vanwege de recente toenadering tussen Noord- en Zuid-Korea doen dit jaar voor het eerst Noord-Koreaanse paralympiërs mee. Zitskiërs Ma Yu-chol en Kim Jong-hyon komen uit in het langlaufen.

    Volkskrant,

    Woordfamilie


    Overige woordfamilieleden


    Etymologie


    Samenhangende woorden (betekenis) krukski; monoski; paraskiën