knorrig


knorrig 1.0

zich steeds gedragend als iemand die iets heeft wat hem hindert; verkerend in een stemming van knagende, afgunstige, soms tergende onvriendelijkheid of ontevredenheid; slechtgehumeurd; zuur; chagrijnig

Algemene voorbeelden


Of dat hij niet naar de mis ging. Jan wist dat het eigenlijk fout was. Op school had hij daar genoeg over gehoord. En hoe vaak had moeder daar zinspelingen op gemaakt, als ze knorrig was en met halve woorden haar beklag maakte bij de kinderen?

Kermis, Gaston Durnez,

De boekhouder van Dice werd met hamer en spijkers het trapportaal ingestuurd om de loper, daar waar nodig, in het hout te nagelen en Saar hing aan de telefoon met het hotel, een cateringservice en drie vliegtuigmaatschappijen. Een beetje knorrig werd ik ervan.

Nette mensen in een nieuwe tijd, Hans van der Kamp,

Jude Fawley is een tegendraadse knaap. In plaats van de kraaien te verjagen op het veld van een knorrige boer, smijt hij de vogels brokken brood toe.

De Standaard,

Boswell had hem overgehaald zijn vooroordelen over de Schotse barbaren te komen herzien en de oude man had knorrig toegestemd.

NRC,

Haar humeur was niet slecht, ze was niet knorrig, maar op een raadselachtige manier afwezig.

In liefdesnaam, Adriaan van der Veen,

Veel meer dan een tochtje naar het meer schijnt zij zich niet te gunnen. Misschien laat de knorrige heer Lerou haar niet veel méér toe, zij zegt het niet tijdens het praatje dat ik telkens graag met haar voer.

Ach, mijn dal, Jan Veulemans,

Als ze Robs rug met die van Michiel vergeleek dan was het maar minnetjes met Rob gesteld. Rob die daar zo knorrig de krant zat te lezen.

Het wil nog maar niet zomeren, Hannes Meinkema,

De kliniek was vol met knorrig medisch personeel.

In liefdesnaam, Adriaan van der Veen,

Woordfamilie


Als deel van een afleiding


knorrig 2.0

blijk gevend van een slecht humeur; humeurig

Betekenisbetrekking


metonymie
Betrokken betekenissen1.0 : 2.0

Combinatiemogelijkheden


met substantief


  • een knorrig gezicht

'Hij heeft een slecht humeur vandaag,' zei Corrie, 'zie maar wat ervan komt.' Het betreden van de slaapkamer geschiedde dus op eigen risico. Wim Kan zat in een wit met blauw gestreepte pyjama met een knorrig gezicht de verjaarspost te lezen.

Kan ik even langskomen?, Paul van Vliet,

Woordfamilie


Als deel van een afleiding